Beleidsnota's Federatie en Bisdom

Dopen: Beleidsnota van de Federatie
 
Eerste Communie: Beleidsnota Federatie
 
Omslag (financiele regelingen ) Beleidsnota van het Bisdom voor alle parochies
 
 
december  2007
 
1. Rond dopen is er al heel wat werk verzet
 
 In 2005
                     hebben wij na een ernstige studie doopafspraken voor de federatie vastgelegd.
                     Zo zijn er de doopafspraken van 4 oktober 2005 voor onze federatie
                     en de rondzendbrief aan de priesters en diakens van onze federatie van 3
                     november.
 
In 2006
                    zijn wij verder gegaan met de twee avonden: ‘dopen in onverwachte noodsituaties’.
                    Ook over ‘Dopen in onverwachte noodsituaties’ hebben wij duidelijke afspraken
                    gemaakt. Meer: dat jaar zijn er ook vormingsavonden geweest voor dopers in
                    noodsituaties.
                    Heel wat parochies hebben iemand die deze doop wil toedienen. De bisschop
                    heeft kennis van dit gebeuren maar een officiële bevestiging heeft hier weinig
                    zin: het gaat om een plotse noodsituatie.
 
In 2007
                    heeft onze bisschop Paul van den Berghe, op voorspraak van het parochieteam van
                    het H. Hart te Boom, drie leken gemandateerd om daar in de parochie het heilig
                    doopsel toe te dienen.
 
2. Stand van zaken, grondoriëntaties
 
2.A. Gemeenschapsdopen
        In de federatie zijn er nog alleen gemeenschapsdopen.
 
Dit betekent concreet:
  
    1° Er wordt in de federatie niet meer individueel gedoopt. Ook niet wanneer de familie
        over een eigen priester beschikt.
        Natuurlijk mag de familiepriester voorgaan in de parochieviering!
    2° Het is geen massadoop: per viering drie, maximaal vier kindjes. Beter twee maal een
        doop die namiddag..
    3° De ouders volgen de gemeenschappelijke voorbereiding van de doop daar waar
       (in de parochie) hun kindje gedoopt wordt.
 
2.B. Dopen op vaste data
 
     1° Elke parochie heeft haar vaste maandelijkse datum.
     2° Er wordt NIET gedoopt buiten deze data.
     3° Ouders kunnen, zonder meer, aansluiten bij een doopviering van een buurparochie, mits in
          acht name van de plaatselijke geldende afspraken. De voorkeur blijft gaan naar de eigen
          parochiegemeenschap als kans tot kennismaking met de territoriale parochiegemeenschap
          en andere ouders uit de woonomgeving.
    4°  De doopdata worden regelmatig en duidelijk medegedeeld aan de mensen.
 
2.C Dooppastoraal
 
     1° Elke parochie stelt  een ploeg doopcatechisten samen.
     2° Elke parochie organiseert voor de betrokken ouders een doopavond, waarin de zin van een
          christelijk doopsel en het verloop ervan worden besproken. Natuurlijk ook de praktische
          regeling van de doop.
     3° Opzet is de ouders zoveel mogelijk te  betrekken zowel inhoudelijk (geloof) als praktisch:
          o.a. samenstellen van de viering, muzikale omlijsting, drukken van het boekje, …
 
2.D De sabbat is er voor de mensen
 
        Het is zo vanzelfsprekend, maar we vergeten het soms. Natuurlijk zijn er uitzonderingen
        die een  aparte doop vragen: gehandicapt (soms niet!), vorig kindje gestorven, grootouders
        die vanuit Canada overkomen, gezinssituaties….
 
2.E Begeleiding
 
    1° Doopcoördinator van de federatie is Jan Van Gerven
    2° Een federaal begeleidingsgroepje heeft zich momenteel gevormd: Christel Bauwens en
    Manu Henckes, Bert Hellebaut en Jan Van Gerven.
 
Terug naar boven
 
 
EERSTE COMMUNIE IN HET ALGEMEEN
 
Het sacrament van de eucharistie

 

De eucharistie is de eeuwen door altijd een heel belangrijk sacrament geweest in de kerk.
En dit vanaf het allereerste begin. De apostel Paulus schrijft reeds over de eucharistie, enkele jaren na de dood van Jezus. En in de evangelies lezen wij hoe Jezus zelf bij Het Laatste Avondmaal de eucharistie instelde: ‘
hoe Hij het brood zegende en brak en deelde, hoe hij de beker zegende en ronddeelde aan zijn leerlingen en zei: dit ben Ikzelf, gegeven voor u. Blijf dit doen om mij te gedenken’
 

De Eerste Communie in het tweede leerjaar

 
Er zijn wat verschuivingen geweest bij de leeftijd van de Eerste Communie.
Tot voor 1900 was er eigenlijk geen Eerste Communie. Op ongeveer 12-jarige leeftijd werden de kinderen gevormd en deden hun communie. Zij werden dan ook als ‘volwassenen’ bekeken.
Paus Pius X bracht die leeftijd op 6-7 jaar: het begin van echt kind zijn en geen kleuter meer.
Het eerste leerjaar in de basisschool.
Enkele jaren geleden werd de Eerste Communieviering verplaatst naar het tweede leerjaar.
Tegelijkertijd voorziet men een langere periode van voorbereiding: twee jaar.
Hiervoor zijn echt goede redenen:
1° Het veranderde geloofsklimaat
Vroeger was de wekelijkse eucharistieviering – mis horen – vanzelfsprekend voor bijna iedereen. Eucharistievieren werd als het ware met de paplepel aangereikt.
Nu is de situatie helemaal anders. ‘Naar de mis gaan’ is niet meer vanzelfsprekend. Integendeel. In sommige ‘katholieke’ scholen doet soms maar de helft (of minder) van de kinderen hun Eerste Communie. Dit houdt in dat ook het godsdienstonderricht ook in de katholieke scholen rekening moet houden met deze nieuwe situatie.
En ook heel wat ouders zijn de weg naar de kerk verloren.
Zo wordt het al dan niet meedoen met de Eerste Communieviering steeds meer een persoonlijke keuze.
Er is meer tijd nodig, zowel voor ouders als kinderen, om ‘thuis te komen’ en (in) te groeien naar de eucharistie. Daarom is er gekozen voor een voorbereiding van twee jaar.
2° Kinderen in hun 8ste levensjaar kunnen veel meer.
Ja, het lieflijke van de kleine kindjes is verdwenen.
Maar de kinderen zelf zijn veel meer bewust van wat er gebeurt. Zij verstaan en kunnen veel meer aan.
3° Geleidelijkheid en geen overvraging
Door de voorbereiding over twee jaar te spreiden krijgen kinderen en ouders rustig de tijd om
actief mee te werken aan de voorbereiding, de catechese van de Eerste Communie, om de parochie en Jezus beter te leren kennen.
Het programma én van ouders én van kinderen is soms al overladen vol.
 

De Eerste Communie is een kans tot catechese met volwassenen

 
Het is de bedoeling dat de ouders in de voorbereiding van de Eerste Communie sterk betrokken worden. Het doel is met kinderen én ouders samen op weg gaan.
Zo kan de voorbereiding op de Eerste Communie uitgroeien tot een gezinscatechese en ook voor de ouders een aanzet zijn tot geloofsverdieping .
 
De Eerste Communie is eerst en vooral een parochiegebeuren, wel, eventueel, in samenwerking met de school
 
De parochie is de motor van de catechesewerking. Het is de plaatselijke gemeenschap die
én catechese én viering organiseert.
Zo blijft duidelijk de voorkeur om de Eerste Communie te vieren in de eigen parochiekerk.
Een goede samenwerking met de school is zeker aangewezen, indien mogelijk.
Leerkrachten kunnen vanuit hun beroepservaring heel wat kennis bijbrengen.
In de school krijgen de kinderen ook het godsdienstonderricht over de eucharistie
Maar parochie en ouders mogen zich niet verschuilen achter ‘de school’. Godsdienstbeleving én -opvoeding blijft eerst en vooral een taak van ouders en parochie.
 
EERSTE COMMUNIE IN DE FEDERATIE
 
Proficiat en dank
 
Eerst en vooral hartelijke dank aan de velen die de voorbije jaren hun schouder gezet hebben onder de plaatselijke werking voor de E.C. In onze federatie is er op dit domein al heel goed werk geleverd. Dank en proficiat!
Na overleg met alle betrokkenen heeft de federatie volgende richtlijnen uitgezet.
 
1° De Eerste Communie - viering en catechese – is de taak van de parochie. Waar het kan,
liefst met de medewerking van de school.
Nota: De parochieverantwoordelijken dienen extra aandacht hebben voor kinderen die niet naar de ‘parochie’school gaan. En dit zowel voor inschrijving als catechese als oefenmomenten.
 
2° In de voorbereiding willen wij zo veel mogelijk de ouders betrekken. Een actieve
deelname en dit op verschillende niveau’s: catechesenamiddagen, vieringen voorbereiden,
praktische hulp…
 
3° Er is een minimumprogramma afgesproken
 
a. Het eerste leerjaar
Naast de ouderavond – inschrijven en informatie – voorzien wij twee
catechesemomenten voor ouders en kinderen samen, waarvan één een
gezinsvriendelijke viering is.
 
b. In het tweede jaar zijn er, naast eventueel een ouderavond, ook minimaal twee
catechesemomenten voorzien. In dit laatste jaar is er ook een voorbereidende viering,
eventueel in vervanging van een tweede catechesemoment.
Natuurlijk zijn er ook de oefenmomenten voor de viering van de E.C. zelf.
Het spreekt voor zich dat elke parochie meer mag doen dan dit minimumprogramma.
 
4. Gedoopt zijn
 
Wie haar/zijn Eerste Communie wil doen, moet gedoopt zijn.
Zo worden er elk jaar 7-jarige kinderen gedoopt, meestal in een zinvolle voorbereidende gezinsviering.
Een doopselbewijs vragen wij niet: Wel vragen wij aan de ouders een schriftelijke bevestiging dat hun kind gedoopt is. Hiervoor worden de nodige formulieren rondgedeeld. Dit formulier kan later ook dienen voor het H. Vormsel
 
5 Catecheseouders en catechisten
 
Wij zijn enorm blij en dankbaar dat elk jaar opnieuw ouders zich willen engageren voor het begeleiden van de catechese. Voor velen van hen betekent dit een persoonlijke gelovige herbronning die deugd doet.
Tegelijkertijd willen wij blijven zoeken naar catechisten: mensen die meer dan twee jaar mee op weg gaan, en die door hun ervaring de nieuwe catecheseouders kunnen bijstaan en begeleiden. Wij beseffen heel goed dat dit een hele opgave is en niet altijd realiseerbaar.
 
6 Een netwerk van catechese
 
De laatste jaren is er in onze parochies een netwerk aan het groeien: ouders, begeleiders, catechisten, school, parochie: allen werken samen voor een zinvolle voorbereiding en viering van de Eerste Communie.
In meerdere parochies blijft men de ouders uitnodigen ook na de Eerste Communieviering verder mee te doen.
Om al die goede dingen die gebeuren kunnen we alleen maar blij zijn, ook al blijft de uitdaging naar morgen groot.
 
Van harte.
De federatieploeg
14 oktober 2009
 
Terug naar boven
 
 
 
Algemene inleiding
 
Naast en los van het parochiecentrum komt er in elke parochie geld binnen van omhalingen, bestellingen van misintenties, betaalde huwelijken en uitvaartdiensten, offerblokken, e.d.m. Deze gelden worden gestort op een “parochierekening” en van daar uit verdeeld volgens een vast stramien dat op diocesaan niveau is vastgelegd in de “Omslag Parochies”.
De parochie als canoniek autonome entiteit fungeert op burgerlijk vlak als een afdeling van de dekenale vzw. Toch behoudt elke parochie haar eigenheid, zoals beschreven in het Huishoudelijk Reglement.  Dit blijkt onder meer uit de benaming van de gebruikte bankrekeningen zoals opgenomen in bijlage 7 van het Huishoudelijk Reglement. Deze bankrekeningen worden beheerd door de lokale verantwoordelijken, zijnde de pastoor en / of enkele leden van het PT of van het financieel comité die daartoe van de Raad van Bestuur een schriftelijke volmacht gekregen hebben.
 
 Terug naar boven
 
HET MISSTIPENDIUM
 
Inleiding
 
Daar de priesters hun leven in dienst stellen van de Heer, is het normaal dat zij kunnen leven van het altaar. Daarom brachten de gelovigen van oudsher op zon- en feestdagen gaven in natura mee naar de kerk. Deze dienden enerzijds om de priesters in staat te stellen in hun levensonderhoud te voorzien en anderzijds om armen en behoeftigen te ondersteunen. Het misstipendium is ontstaan in de middeleeuwen. Men droeg gedurende de weekdagen (niet op zon- en feestdagen) missen op voor de overledenen. Door de tijd waren er misbruiken ontstaan. Het concilie van Trente heeft toen orde op zaken gesteld en wetten uitgevaardigd die nu nog van toepassing zijn. Deze werden opgenomen in het wetboek van canoniek recht (laatste herwerking: advent 1983). Door de eeuwen heen heeft men in ons land vastgehouden aan het misstipendium. Dit is geen vergoeding voor de eucharistie want sacramenten in de kerk zijn kosteloos. Het is wel een bijdrage van de gelovigen met als bedoeling de uitvoering van het sacrament mogelijk te maken en tevens bij te dragen tot de leefbaarheid van de kerk.
          
          Het misstipendium bestaat uit twee delen:
            a)   de kern, zijnde het gedeelte, bestemd voor de celebrant
            b)   de mantel, zijnde het gedeelte bestemd voor de Kerkfabriek en / of de parochie

Dit is in overeenstemming met het wetboek van canoniek recht waarin staat: "De christengelovigen die een stipendium aanbieden om de mis voor hun intentie te laten opdragen, dragen bij tot het welzijn van de kerk en nemen met die gave deel aan haar zorg om de bedienaars en werken te ondersteunen." (canon 946). En canon 947 vermeldt: "Van misstipendia moet zelfs elke schijn van handel of winstbejag volstrekt geweerd worden." 

Voornaamste richtlijnen

Elke zondag en op de vier verplichte feestdagen zal de aangestelde pastoor een mis celebreren voor zijn parochianen (missa pro grege). Hiervoor ontvangt hij geen stipendium.
Een pastoor die de zorg heeft over meerdere parochies moet slechts één mis op de vastgestelde dagen voor zijn parochianen celebreren (canon 534 § 2).
Om beurt zal elke priester die in solidum benoemd is de verplichting op zich nemen om op zon- en feestdagen een mis te celebreren voor het gelovige volk (zelfde canon).
Ongeacht het aantal missen dat priesters per dag celebreren zullen zij slechts de kern van het stipendium van één mis voor zichzelf mogen houden. De kern van het stipendium voor de tweede, eventueel derde mis (de zogenaamde binaties), dient regelmatig doorgegeven te worden aan het bisdom.
Wanneer er voor één viering verschillende intenties worden gevraagd (wat tegenwoordig nogal eens gebeurt voor de vieringen van het weekend) zal men deze intenties herhalen op een weekdag waar er geen intentie is ofwel de kern van het stipendium ervan overmaken:
            
            a. aan het bisdom waar  deze intenties kunnen opvragen zolang de voorraad strekt.
            b.   aan een confrater die te weinig intenties heeft.
            c.   aan een religieuze congregatie, eventueel missionaris.
            
 
De eerlijkheid gebiedt ons te zorgen dat voor elk stipendium dat ons wordt aangeboden werkelijk
eenmaal de eucharistie gevierd wordt.
 
De mantel van het stipendium
wordt verdeeld binnen de parochie waar de intentie is  binnengekomen.
 
Vaststelling van het tarief
 

Het is de gewoonte dat in ons land om de 10 jaar de tarieven van de missen herzien  worden. De kern van het stipendium (= deel van de celebrant) wordt door de Bisschoppenconferentie vastgesteld (canon 952,2).

Het bedrag en de verdeling van de mantel wordt overgelaten aan elk bisdom. In ons bisdom wordt die mantel gelijkelijk verdeeld over de Kerkfabriek en de parochie. In haar vergadering van 14 juni 1993 heeft de Belgische Bisschoppenconferentie de kern op 5 EUR gebracht.

Sindsdien is in het bisdom Antwerpen volgend tarief gangbaar:

             5 EUR voor de celebrant
             2,5 EUR voor de parochie
             2,5 EUR voor de Kerkfabriek
 
Priesters die privaat de mis celebreren (b.v. een bejaarde priester die thuis mis leest of de rector
van een bejaardentehuis) kan alleen het deel van de celebrant (de kern) ontvangen.
            
De Gregoriaanse Dertigsten worden beschouwd als gewone misintenties. Het tarief en de verdeling
zijn dezelfde als voor de gewone misintenties (zie ook excel toepassing “Omslag Parochies”)
 
 
Fundaties en Vrome Schikkingen
 
Canon 953 verbiedt het aanvaarden van misintenties voor een langere looptijd dan  uitvoerbaar binnen het jaar. Iedere overeenkomst betreffende een langere termijn moet voor de aanvragers beveiligd worden door medewerking en toezicht van het bisdom. Dit is mogelijk binnen de structuur van een fundatie (zie 4.1.4.1) of een vrome beschikking (zie 4.1.4.2).
              
 
Fundaties
 
Jaargetijden worden een fundatie genoemd als ze door testament of notariële akte ontstaan zijn. Ingevolge zulk burgerlijk geschrift is het de Kerkfabriek, die deze opdracht moet aanvaarden met naleving van de (ingewikkelde) wettelijke procedure tot het bekomen van de machtiging.
Bij ontvangst van een testament met uitvoeringslasten zal voorafgaandelijk advies gevraagd worden aan de Dienst Kerkfabrieken op het bisdom: is het een fundatie of kan de notaris het dossier aanstonds afwerken?
 
Vrome Schikkingen
 
Jaargetijden worden Vrome Schikkingen genoemd, als ze onderhands aanvaard konden worden door de pastoor, of door de aalmoezenier.
Vanaf 01/01/2005 geldt volgende werkwijze (zie omzendbrief van 24/06/2006):
 
-     Er wordt nog slechts 1 formule weerhouden, namelijk “uitdovend”.
-    Het onderscheid tussen gelezen en gezongen missen wordt opgeheven.
-    Er gelden nog twee intekenbedragen: 100 EUR en 250 EUR.
     Veelvouden van 250 EUR  blijven mogelijk, voor meerdere missen per jaar.
 
-    De rente bedraagt 2,50 %.
 
De uitbetaling per mis bedraagt 10 EUR, waarvan 5 EUR voor de priester
en 5 EUR voor   de parochie.
Onder de gestelde voorwaarden (rente 2,50 % en 10 EUR uitkering per mis, welke beide variabel zijn in de tijd) kent een vrome beschikking van 100 EUR een looptijd van 11 jaar en een vrome beschikking van 250 EUR een looptijd van 39 jaar.
            
 
De uitbetaling van de misintenties
 
Elke maand dienen de missen te worden uitbetaald aan de celebranten die ze hebben
opgedragen. Dit gebeurt aan de hand van de agenda. Men houdt er wel rekening mee dat zij per
dag slechts éénmaal de kern van het stipendium mogen ontvangen en dat de aangestelde pastoor
op zon- en feestdag geen misstipendium ontvangt. Het stipendium van de celebrant voor een
tweede of derde mis op dezelfde dag (de zogenaamde binatiemis) wordt afgerekend met het
bisdom. Op het einde van elke maand wordt de mantel van de in die maand betaalde manuele
missen uitbetaald aan de rechthebbenden, nl. de Kerkfabriek of de parochie. Dit geldt ook voor
Dertigsten aangezien zij verwerkt worden als gewone misintenties.
 
Vreemde celebrant
 
Indien men voor een viering een beroep doet op een vreemde celebrant uit de omgeving die niet in
de parochie woont, zal men hem naast de intentie ook nog 2,5 EUR betalen uit de parochiekas
voor reiskosten. Indien de vreemde celebrant van ver moet komen, zal de vergoeding in
verhouding zijn tot het aantal af te leggen kilometers.
 
Terug naar boven
 
HET BEGRAFENISTARIEF EN HET HUWELIJKSTARIEF
 
 
Inleiding
 
Het is niet billijk de financiële lasten van de kerk hoofdzakelijk en alleen op de schouders van de
regelmatige kerkgangers te leggen. Alle gelovigen, ook zij die slechts bij bepaalde gelegenheden
een beroep doen op de kerk, dienen bij te dragen voor haar werking. 
Het begrafenis- en huwelijkstarief moet enerzijds beschouwd worden als een deelname in de
kosten van de kerkelijke dienst en anderzijds als een bijdrage aan de kerk voor haar pastorale en
materiële noden. Zo worden de financiële lasten van de kerk gespreid over de regelmatige en
occasionele kerkgangers. 
Als wij rekening houden met de totale kostprijs van begrafenissen en huwelijken, is het gedeelte
voor de kerkelijke dienst relatief gering. Nochtans mag deze bijdrage geen voorwaarde zijn voor
een waardige kerkelijke viering. Aan mensen die het niet te breed hebben dient een evenwaardige
dienst verzekerd te worden hetzij kosteloos, hetzij tegen een verminderd tarief (canon 1181
Hierover zal de pastoor met tact en wijsheid oordelen.
Het tarief voor begrafenissen en huwelijken bedraagt 200 EUR.
 
Verdeling
 
            
 
Begrafenis
Huwelijk
Kerkfabriek
30 %
10 %
Celebrant
15 %
15 %
Pastorale Solidariteit
20 %
20 %
Personeelsfonds
15 %
15 %
Dekenaal Fonds Kerkopbouw
15 %
15 %
Pars caritatis
5 %
5 %
Parochie
-
20 %
 
Verklaring bij de tarieven en de verdeling
 
a.   Pars caritatis of het "deel van de liefde"
 
Oorspronkelijk is dit bedoeld, en het mag nog altijd zo toegepast worden, als een spaarpotje dat
wordt opgebouwd voor de families, die hun uitvaart of huwelijk niet - of slechts gedeeltelijk - kunnen
betalen.
Wat daarvan niet voor dit doel gebruikt wordt dient trimestrieel gestort te worden aan het Dekenaal
Fonds Kerkopbouw (zie Beleidsnota nr. 26).
 
b.  Het deel van de parochie - het deel van de Kerkfabriek
 
Het deel van de parochie / Kerkfabriek bedraagt 30%. Oorspronkelijk ging 30% van het begrafenistarief naar de Kerkfabriek, 30% van het huwelijkstarief naar de parochie.
Omwille van de interdiocesane eenheid en omwille van de zorg om de eredienstkosten verkrijgt de Kerkfabriek ook een recht in het tarief van de huwelijken (voor de uitvaarten blijft deze 30% integraal voor de Kerkfabriek). Wij doen dit omdat meer en meer Kerkfabrieken de kosten niet langer kunnen dekken met het stoel- en schaalgeld van de wekelijkse zondagsvieringen. Dit deel van de Kerkfabriek is vastgelegd op 10%.
 
c.  Personeelsfonds
 
Dit deel komt toe aan de instantie nl. de parochie of de Kerkfabriek die effectief de lasten draagt
van het personeel, de organist en de koster. Tachtig procent van dit bedrag is het bedrag van de
brutowedde; de rest is bedoeld als onkosten voor de werkgever.
 
d. Celebrant
 
Een begrafenis of huwelijk vindt doorgaans plaats in het kader van een eucharistie. Het tarief – met
of zonder eucharistie – is hetzelfde. De celebrant moet deze mis dan ook niet beschouwen als een
binatie wanneer dit de tweede (of volgende)  mis van de dag is.
 
Indien de pastoor van de parochiekerk waar de uitvaart of het huwelijk plaatsheeft, verhinderd is en
een vervanger vraagt, hetzij een ander priester, hetzij een diaken als het een gebedsdienst betreft,
zal hij het deel van de celebrant volledig aan zijn vervanger uitbetalen.
 
In tegenstelling met wat in vroegere beleidsnota’s verscheen, zal ook aan de “vreemde voorganger”,
gevraagd door de familie, dit deel worden aangeboden. Uiteraard kan iedereen die dit ontvangt,
beslissen om deze inkomsten te spreiden via solidaire herverdeling onder de pastoraal werkenden.
(Rondschrijven september 2004)
 
e. Pastorale Solidariteit
 
Het is dat deel van de bijdrage, dat vroeger voorbehouden was aan de pastoor of de
parochieclerus. Dit deel wordt nu in de parochie, of in de federatie, of over meerdere federaties in
solidariteit verdeeld tussen pastoors, onderpastoors, diakens en pastoraal werker(s) zoals
afgesproken in het hogergenoemd Rondschrijven van september 2004.
 
f.  Dekenaal Fonds Kerkopbouw
 
Wetend dat reeds heel wat pastoors twee parochies bedienen en dus een grotere wedde hebben,
dat daarbij evenveel diensten verzorgd worden door minder priesters, werd door de Bisschop
beslist een deel van deze inkomsten te storten in een Dekenaal Fonds Kerkopbouw waarmee dan
de onkosten van jeugdpastores, pastorale werkers en werksters, diakens, die decanaal werken
kunnen vergoed worden.
 
De offergaven bij de begrafenis
 
De offergaven bij begrafenissen worden traditioneel aan de parochiepriesters gegeven omdat zij bij
de uitoefening van hun pastorale taken heel wat onkosten hebben die zij niet kunnen verhalen op
de parochie: kosten van verplaatsing in pastorale opdracht, vormingskosten, uitgaven voor goede
werken, hulp aan armen, enz. Uiteraard kunnen zij in een geest van onthechting dit ook storten in
de parochiekas of er een andere pastorale bestemming aan geven (b.v. Pastorale Solidariteit).
            
Delegatie van het begrafenisrecht
 
Om pastorale redenen hebben bepaalde rust- en verzorgingstehuizen van de Bisschop de toelating
gekregen om uitvaartdiensten te verzorgen bij het overlijden van hun bewoners. Omdat deze
diensten aan de parochie onttrokken zijn én om het eenvormige tarief ook in deze situatie te
kunnen behouden is er tussen het bejaardentehuis en de eigen parochie van het tehuis een
verdeling van de inkomsten. Deze verdeling van het tarief wordt aan de betreffende parochies en
bejaardentehuizen gezonden, telkens er een aanpassing is van de parochietarieven (die in DACO
gepubliceerd wordt).

Terug naar boven

DE COLLECTEN
 
Inleiding
 
Het Keizerlijk Decreet van 30 december 1809, handelend over de werking van de Kerkfabrieken,
bepaalt in artikel 75: "Alles wat verband houdt met de omhalingen in de kerken wordt, na advies
van de kerkmeesters, door de Bisschop geregeld."
In zijn commentaar op dit artikel schrijft T. Schepens: "De Bisschop is dus, wat de omhaling voor de
eredienst betreft, gehouden het advies van het kerkmeesterbureel te vragen. Dit geldt niet voor de
omhalingen die zouden gedaan worden voor allerhande godvruchtige en goede werken die buiten
het raam van de parochiale eredienst vallen. Bovendien valt op te merken dat de Bisschop door dit
advies niet gehouden is." (T. Schepens, Praktische Handleiding voor de Kerkfabrieken, Brugge
1966, 2de druk, p. 125).
 
Dit stemt overeen met de praktijk. In de kerk wordt geld ingezameld voor:
 
1.   het onderhoud van het kerkgebouw
2.   allerhande godsdienstige en andere goede werken
 
Hieronder vallen zowel de door de Bisschop voorgeschreven collecten als die voor de pastorale
noden van de eigen parochie, het bisdom en de wereldkerk.
Het is duidelijk dat de Kerkfabriek over middelen moet beschikken om haar taak naar behoren te
vervullen. Maar het is niet juist dat alle collecten die in de kerk gehouden worden, naar de
Kerkfabriek gaan. De parochie en het bisdom kunnen hun pastorale taken alleen maar vervullen,
als zij ook over de noodzakelijke financiële middelen beschikken. Vandaar dat er een billijke
verdeling van de geldinzamelingen moet plaatsvinden onder Kerkfabriek, parochie en bisdom.
Het is goed even de evolutie in herinnering te brengen. Oorspronkelijk konden de gelovigen tegen
een jaarlijkse betaling een eigen stoel in de kerk plaatsen. Daarnaast stelde ook de Kerkfabriek
stoelen ter beschikking van de gelovigen tegen betaling van het stoelgeld. Dit werd wekelijks
tijdens de zondagsviering opgehaald en was bestemd voor de Kerkfabriek. Wie geen stoel nam en
bleef staan, moest dus geen stoelgeld betalen.
Daarnaast werd er op zon- en feestdag bij alle aanwezigen ook nog een collecte gehouden.
De opbrengst ging grotendeels naar de parochie of naar de goede werken die het bisdom oplegde.
Soms ging de collecte op bepaalde (hoog)dagen naar de Kerkfabriek. Denk maar aan de collecte
met Kerstmis voor de verwarming van de kerk.
In het begin van de jaren zestig verdwenen de eigen stoelen uit de kerken en werd in de meeste
kerken het stoelgeld afgeschaft. Dit bracht mee dat een gedeelte van de collecte naar de
Kerkfabriek ging. Hoe de verdeling precies moest gebeuren, werd overgelaten aan het overleg
tussen de parochie en de Kerkfabriek.
 
Eén of twee omhalingen
 
In de meeste kerken wordt op zon- en feestdagen slechts één geldinzameling gehouden. Hierin is
het stoelgeld begrepen, bestemd voor de Kerkfabriek. Deze praktijk verdient aanbeveling.
 
De gewone collecten op zon- en feestdagen
 
De opbrengst van de collecten op zon- en feestdagen, de vooravond inbegrepen, wordt 50 / 50
verdeeld tussen Kerkfabriek en parochie.
Dit is een billijke regeling. Waar dit, of voor de parochie, of voor de Kerkfabriek onvoldoende is, zal
men afspraken maken tussen parochieteam en Kerkfabriek.
 
De collecten bij huwelijken en jubilea gaan voor 100% naar de parochie.
 
De opbrengst van de collecten Welzijnszorg, Broederlijk Delen 1 en 2 en Missiezondag gaan
integraal naar de rechthebbende (Welzijnszorg, BD 1 en 2 en Missiezondag)
 
De opbrengst van andere bijzondere collecten gaat integraal naar de rechthebbende, eventueel na
voorafname van de opbrengst van een gewone collecte. Deze voorafname wordt dan op haar beurt
verdeeld volgens de 50 / 50 regel tussen Parochie en Kerkfabriek. Onder “andere bijzondere
collecten” wordt verstaan:
 
de collecten voor een caritatief werk (vb. voor de melaatsen, Blindenzorg, Kerk in Nood, …)
de collecten voor de eigen parochie of voor de Kerkfabriek
 
Deze bijzondere collecten dienen beperkt te worden.
 
De voorgeschreven collecten
 
Het wetboek van het Canoniek Recht bepaalt in canon 1266: "In alle kerken en kapellen, ook die welke toebehoren aan religieuze instituten, die in feite habitueel openstaan voor de christengelovigen, kan de plaatselijke Ordinaris voorschrijven dat voor bepaalde parochiële, diocesane, nationale of universele initiatieven een speciale geldelijke bijdrage ingezameld wordt, die daarna stipt aan de diocesane curie afgedragen moet worden".
Een voorgeschreven collecte is een door de Bisschop opgelegde geldinzameling in alle kerken en openbare kapellen ten voordele van een welbepaald doel. De opbrengst wordt via het bisdom ingezameld en van daar uit doorgestort naar de rechthebbenden. De bestemming ervan mag men niet wijzigen zoals b.v. door op missiezondag te collecteren voor de missionarissen van de eigen parochie.
De opbrengst van de voorgeschreven collecten gaat integraal naar het daarvoor bestemde doel via de diensten van het bisdom.
De voorgeschreven collecten zijn Broederlijk Delen 1 en 2, Missiezondag en Welzijnszorg.
Een voorgeschreven collecte wordt een week vooraf aangekondigd in het parochieblad en bij de parochiale mededelingen op het einde van de zondagsviering. Op de dag zelf van de collecte zal men deze na de homilie in enkele woorden aanbevelen. Het is goed dat de parochianen via het parochieblad op de hoogte worden gebracht van de volledige opbrengst van de gehouden collecte.
         
In bijzondere omstandigheden kan de Bisschoppenconferentie of de Bisschop een bijkomende
voorgeschreven collecte vaststellen.
 
De bijzondere collecten
 
Hierbij kunnen wij een drietal soorten onderscheiden:
 
a.   Collecten voor caritatief doel, gewoonlijk georganiseerd door een nationaal secretariaat. Wij
      denken o.a. aan Damiaanactie, Vredeseilanden, M.S. en zoveel anderen.
b.  Collecten voor de plaatselijke kerk, hetzij voor de Kerkfabriek, hetzij voor de parochie. Wij
      denken o.a. aan de verwarming van de kerk, voor de bouw van de parochieschool, e.a.
c.   De collecten, die een missionaris of religieuze doet vóór zijn of haar vertrek naar de missie.
 
Het spreekt vanzelf dat wij in die collecten zullen moeten snoeien. Prioriteiten zijn hier geboden.
Deze worden gemaakt door het PT, in samenspraak met de parochieraad. Dit kan ook gebeuren
door het dekenaal team of de dekenale raad. Voor een pastoor alleen is het soms moeilijk te
weigeren, alhoewel deze collecten facultatief zijn.
 
Enkele tips:
 -  men kan een beurtrol over 2-3 jaar voorzien
 -  voor sommigen kan men achteraan in de kerk een offerblok zetten
 -  sommigen zullen buiten aan de kerkdeur collecteren.
 
Voor de verdeling van de opbrengsten zie hoger 
 
Collecten bij huwelijken en andere vieringen
 
De collecten bij huwelijken, jubilea, gebedsdiensten, enz., die niet op zon- en feestdagen worden
gehouden, zijn altijd facultatief. De opbrengst komt evenwel integraal toe aan de parochie.
 
Collecten in bijkerken en kapellen
 
In bijkerken en kapellen, die afhangen van een hoofdkerk en bediend worden door, of in afspraak
met de parochiepriesters, zal men de gewone collecten en de voorgeschreven collecten doen. De
voorgeschreven collecten zullen met de voorgedrukte stortingsformulieren worden overgemaakt.
Wat de andere collecten betreft: hier zal men best een afspraak maken tussen het financieel comité
en het plaatselijk comité of de plaatselijke bedienaar. Zij, die kosten van het gebouw (verlichting,
verwarming, verzekering) dragen hebben ook "het recht van de Kerkfabriek".
Aan de hand van de hierboven uitgelegde principes, zal men zeker tot een aanvaardbare regeling
kunnen komen. Indien het geld "ter plaatse" blijft, zal men natuurlijk ook hier een duidelijk overzicht
van inkomsten en uitgaven bijhouden.
 
 Terug naar boven
 
DE "KOSTELOZE" KERKELIJKE DIENSTEN
 
Welke diensten zijn kosteloos?
 
 1.   Aan de armen en behoeftigen zullen nooit diensten geweigerd worden. Deze diensten kunnen
       kosteloos zijn of tegen een verminderd sociaal tarief. Deze diensten zullen nooit anders zijn
       dan betaalde diensten (can. 945 § 2).
 2.  De uitvaartdienst van priesters, diakens en pastorale werkers/werksters, alsook van hen die in
       dienst stonden van ons bisdom zijn kosteloos, tenzij de familieleden dit niet wensen.
 3.  Naar aloud gebruik zijn ook huwelijksjubilea kosteloos.
 
 
Bij kerkelijke diensten die kosteloos gehouden worden, ontvangen alleen koster, organist en
eventueel een assistent die van elders moet komen, hun deel van het tarief. Al de anderen
ontvangen hiervoor geen vergoeding. Aangezien de parochie alle vergoedingen van de niet
uitgeoefende functies ontvangt, zal zij de kosten dragen van deze diensten.
Deze regeling geldt ook voor alle andere kerkelijke diensten die omwille van omstandigheden
kosteloos worden gehouden.
 
 
OFFERBLOKKEN EN OFFERKAARSEN, GIFTEN EN BIJDRAGEN
 
Offerblokken
 
Indien de opbrengst van de offerblokken in de kerk bestemd is om de kosten van de eredienst te
helpen dragen, kan in overleg met de Kerkfabriek beslist worden hoe de opbrengst zal verdeeld
worden.
Indien de opbrengst van de offerblokken bestemd is voor speciale doeleinden (b.v. voor een
caritatief werk, voor de missies) moet de opbrengst in de parochiale boekhouding ingeschreven
worden en ten goede komen aan het vastgestelde doeleinde. De verrekening gebeurt via “Omslag
Parochies”. Wegens het gevaar van diefstal zal men de offerblokken regelmatig ledigen.
 
Offerkaarsen
 
Naar aloude gewoonte gaat de opbrengst van de offerkaarsen naar de parochie. De aankoop van deze offerkaarsen zal dan ook door de parochie gebeuren.
De offerkaarsen of devotielichten zal men in de kerk zo opstellen, dat zij de aandacht van de gelovigen niet afwenden van het wezenlijke van de eredienst. Daarom zal men het aantal tafels met offerkaarsen of devotielichten beperken en ze groeperen eventueel in een zijkapel of achteraan in de kerk. Elke indruk van handel in de kerk dient vermeden te worden.
De Constitutie over de heilige Liturgie bepaalt in artikel 125: "Het gebruik om in de kerken heilige beeltenissen te plaatsen ter verering door de gelovigen moet behouden blijven; wel moet het aantal beperkt blijven en de juiste verhouding in acht genomen worden, om te voorkomen, dat bij het christenvolk verwondering wordt gewekt of een minder juiste devotie in de hand wordt gewerkt." (zie ook can. 1188).
 
Giften
 
Algemene giften komen integraal toe aan de parochie.
Giften die specifiek voor het Bisdom bestemd zijn, worden integraal aan het Bisdom overgemaakt.

Terug naar boven

DE BIJDRAGEN VAN DE PAROCHIES VOOR HET BISDOM
 
Wij willen hier ook nog iets zeggen over de bijdragen van de parochies aan het bisdom. Volgens canon 1263 heeft de diocesane Bisschop het recht een "bescheiden belasting" op te leggen. Wij spreken liever over een bijdrage voor de noden van het bisdom. En dat bisdom heeft nogal wat nodig. Naast de werking van de diocesane en interdiocesane diensten zijn er de centrale diensten van het bisdom of de curia. Om parochies en gemeenschappen immers van dienst te zijn moeten wij beroep doen op goed en gekwalificeerd personeel.
De Rekendienst vraagt trimestrieel de bijdrage voor het Bisdom op.

Terug naar boven